spacer
Contact Fondslijst Deelnemers beurs 1998-2006 Archief Links

PAUL CLAES

Dochters van Eva
Animula
Herakleitos
meer over het oeuvre van Paul Claes

terug naar fondslijst

o home

 

file:\\ druksel \ fondslijst \ claes \ meer

Paul Claes, een bepaling van het oeuvre tussen 1998 en 2008

'De Phoenix' (1998) is een ideeënroman over Pico della Mirandola (1463-1494), renaissance-mens en kabbalist. De twee kwalificaties zijn ook op Paul Claes zelf van toepassing. Enerzijds is Pico een verkondiger van de nieuwe mens met een persoonlijke, vrije wil, anderzijds hanteert hij de kabbalistische kennis om door te dringen in de wereld der ideeën.
Claes kiest in zijn romans (later zal hij dat overduidelijk ook doen in 'De kameleon') voor ambivalente figuren. Personages die zowel het één als het ander zijn. Uit de tegenstellingen komt men tot een eenheid. 'De Phoenix' is het verslag van een moord en hoe daarop gereageerd wordt. Niet zozeer de manier waarop de moord opgelost wordt, staat centraal maar wel de manieren waarop gedacht wordt. De roman is in 23 'elementen' verdeeld, het zijn de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet en het alchemistische Azoth. De tegenspeler van Pico is Savonarola, de haatdragende, dogmatische boeteprediker. Beide zijn de vertegenwoordigers van respectievelijk licht en duisternis, waarheid en geloof. De tegenstellingen zijn echter niet altijd even duidelijk afgelijnd. Pico is niet de absolute goedheid, Savonarola niet de absolute slechtheid. Want waar wij -paradoxaal- het dogmatische met de idee van eenheid associëren, is het juist Pico die het Ene denkt. Voor hem vloeit de wereld (en dus de tegendelen) uit het Ene voort.
De paradox is, ten slotte, wat overblijft. Het zijn de letters die de waarheden bevatten. De letters komen in de woorden (de veelheid) samen om de ene waarheid zichtbaar te maken. Paul Claes toont dit materieel in de letters. De eerste letters van de hoofdstukken vormen een acrostichon: Ioannes Picus Mirandulae P (Phoenix). Ze vormen het boek en de persoon. Ook de beelden kunnen de waarheid tonen. Paul Claes beschrijft La Primavera, het schilderij van Botticelli dat het openingsgedicht was in de bundel 'Embleem' (1994), om de waarheidsvinding op gang te brengen. Met de duistere kennis (de mystieke teksten) het licht (de waarheid, de eenheid) brengen.
De phoenix is de mythische vogel die de zonnereis symboliseert -en met de zon hebben we een ander geliefd thema van Paul Claes. Het phoenix-motief, de opstanding (wat de 'verzoening' tussen leven en dood is), verschijnt op verschillende niveaus: tussen verschillende zingevingssystemen, tussen man en vrouw, tussen rijkdom en armoede, tussen filologie en filosofie. Het is ook het kernbeeld van Claes' oeuvre: de hedendaagse kunst moet het oude opnemen, verwerken en bewerken om het verleden ook in de toekomst zinvol te houden. Bij het bespreken van het oeuvre van Paul Claes wordt over intertekstualiteit gesproken. Het is verkeerd om dit als een postmodernistisch element te zien. De Westerse kunst is opgebouwd door toe te voegen, te interpreteren, te verwijzen, te negeren, te vernietigen.
Het ingenieuze in het werk van Paul Claes is dat hij een historische tijd of een andere figuur niet beschrijft vanuit de eigen tijd en plaats maar a.h.w. in het hoofd van zijn figuur kruipt, een tijdgenoot wordt en op die manier het verleden verklaart. Hij geeft geen visie vanuit de(eenen)twintigste eeuw op het verleden maar hij wordt zelf het verleden. De stijl en de vorm zijn historisch. Dit betekent niet dat hij de eigen tijd uitsluit. Wie aandachtig leest zal verwijzingen naar de problemen van het nu kunnen vinden.
Deze roman werd in 1998 genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en in 2001 als Der Phoenix in het Duits vertaald door Marlene Müller-Haas. De vertaling kreeg een tweede druk. Merkwaardig aan deze vertaling is dat elk hoofdstuk hier (anders dan de Nederlandse editie) begint met een detail uit La Primavera. De beelden fungeren als de begininitialen van manuscripten. Elk hoofdstuk is daarmee een onderdeel, een stuk, uit het schilderij. Het schilderij is in de Duitse uitgave daardoor prominenter aanwezig. (Het acrostichon werd ook in de vertaling bewaard.)

Dit maakt Claes steeds weer duidelijk: de tekens moeten gelezen worden. Ze zijn een veruitwendiging van dat wat voor de mens belangrijk is. In 'De gulden tak: antieke mythe en moderne literatuur' (2000) doet hij dit in essayvorm. Het boek opent met een programma en eindigt met een coda. De vorm van dit essayboek is gelijk aan het fictionele werk (en, voor alle duidelijkheid, ook omgekeerd). De essays van Paul Claes dienen niet om zichzelf als essayist, wetenschapper of denker te presenteren maar om het besproken werk te verduidelijken. Paul Claes is een uitlegger. Net zoals in zijn poëzie en proza verkiest hij de kortheid. Hij formuleert helder, nuchter en scherp zodat hij weinig zinnen nodig heeft om klaarheid te brengen in zijn eigen opzet en in het werk van anderen. In 'De gulden tak' geeft hij een verslag van zijn nadenken over de mythe. Hij duidt de verschillende interpretatiemogelijkheden en illustreert die telkens aan de hand van een concreet geval. Uiteraard 'gelooft' Claes niet in de mythe, toch neemt hij ze ernstig en toont hij hoe ze een element is in het Westerse begrip van het cultuurspel. De leeshouding van Paul Claes is een filologische: de teksten moeten in de woorden gelezen worden om ten volle begrepen te kunnen worden.
Alnaargelang het werk zelf, wordt een interpretatiemodel gebruikt. O.a. Vondel, Keats, Rilke, Ida Gerhardt, Lucebert, Mulisch, Claus, H.C. ten Berge en Hans Faverey worden besproken aan de hand van één werk -intelligentie en smaak tonen zich ook in de keuze. Schrijven is een voorbeeld zijn: Claes toont hoe een gedicht, een oeuvre besproken kan worden. Dit moet met kennis gebeuren. Het begrijpen komt vóór het voelen. Het kunstwerk staat dus hoger dan de lezer/kijker/luisteraar omdat de impuls uit het werk zelf komt. Keats schreef 'Beauty is truth, truth beauty, […].' Claes beseft echter ook de mogelijke onmogelijkheid. Het essay over Keats eindigt aldus: 'De moraal van het verhaal is dat we kunst niet mogen interpreteren en evalueren met andere methodes en criteria dan die van haar eigen tijd. Of we dat echt kunnen is weer een ander verhaal.'
In een bespreking van dit werk noemde Arnold Heumakers (NRC Handelsblad, 17/03/00) in een lovende recensie Claes de 'Sherlock Holmes onder de Nederlandstalige critici'. Hij is minder te spreken over 'Glans/Feux' waar volgens hem de gedichten de mythen minder verklaren: 'Zonder een poging te doen het op te lossen maakt de Logos, nu vermomd als dichter, een tweetalig dansje rond het raadsel. Een feestelijk gezicht, maar daar blijft het ook bij.'

Dat beide boeken ('De gulden tak' en 'Glans/Feux') met elkaar verbonden zijn, komt niet alleen tot uiting door hetzelfde jaar van publicatie (2000). In de 'Argumenten' (bewijsgronden) achteraan het boek legt Claes expliciet een verband met de essays: 'Griekse mythen vormen de stof van deze dubbeltalige bundel.' Ook de gedichten zijn (re-)interpretaties van de mythen. 'Feux' was in 1992 en 'Glans' in 1999 bibliofiel gepubliceerd. De jaartallen geven een aanduiding van de tijd die nodig is om een bundel te construeren en te publiceren.
De bundel is in drie delen gesplitst: vernietiging, zuivering en verlichting. Elke afdeling is opgebouwd uit twaalf elementen (de werken van Heracles, de tekens van de dierenriem, de titanen). Elk element bevat twee gedichten. Het Franstalige gedicht staat op de linkerpagina en is een sonnet, het Nederlandstalige op de rechterpagina is een kwatrijn. Deze laatste vorm, gebald en klassiek, wordt door Claes geregeld gebruikt. In deze uitgave staat links het als vlammen uitgerekte, El Greco-achtige sonnet. De verticaliteit is het gracieuze Frans. Het horizontale, hoekige beeld van het kwatrijn is het pastorale, doffe Nederlands. In deze verzen toont Paul Claes de psycho-analytische kant van de mythe: de agressieve seksualiteit, het gevecht om het overwicht. De eerste afdeling behandelt de gewelddadige kant van het menselijke leven, de tweede de relatie van de mens met zijn omgeving, de derde gaat over de bovennatuurlijke wereld. De drie processen samen zijn het menselijke leven. Of het christendom: schuld, boete, hemelglans. Het laatste gedicht Semele kan ook gezien worden als de verhouding van Paul Claes tot de geschiedenis, de canon, de meesters: 'meester verlicht als een god / mij met de glans van uw glans.' Claes speelt hier ook met de geslachtelijke twijfel: de dichter als het ontvangende, vrouwelijke element. Dit wordt gespiegeld in het Franse sonnet:

'Mon maître
Mon dieu
Tu peux

Paraître
Pour n'être
Que feu.'

De woorden nemen hier nauwelijks materiële ruimte in beslag, de betekenis is meervoudig.
In een bespreking in de Haagsche Courant (juni 2000) van deze bundel is Albert Hagenaars kritisch voor het rijmwerk van Paul Claes. Hij verwijt de schrijver in de ultrakorte Franse sonnetten rijmdreun en een te gemakkelijk rijmen: "Bijkomend nadeel is dat Claes zich lang niet altijd een gewiekste rijmelaar betoont: reeksen als vois-moi-toi en prendre-prétendre-tendre verwacht je eerder bij de gemiddelde francofone puber. […] Claes kán […] wel rijmen, hij was alleen te weinig kritisch op te veel momenten."
Christine D'haen echter, looft in haar essay 'De zoon van de Zon' de bundel 'Feux': 'De vorm van de gedichten, waarin de rijmen zo kort op elkaar volgen, heeft iets betoverends, bezwerends, bezetens. Het is alsof deze verzen altijd bestaan hebben, een oeroude waarheid vertolken in een onvermijdelijke vorm. Niettemin is deze schijnbare vanzelfsprekendheid het resultaat van onnoemelijk veel arbeid.' (p. 46). Deze bundel werd voor de VSB Poëzieprijs 2001 genomineerd.

Met 'De Kameleon' (2001) leidt Paul Claes ons de ideeënwereld van de achttiende eeuw in. Deze eeuw heeft twee zijden: de wereld der ideeën en de wereld van de frivoliteit. Het is de Verlichting (het materialisme van de denkwereld) tegenover de rococo (het materialisme van de behoeften, de hang naar luxe en frivoliteit). Of twee schilders: Chardin tegenover Boucher.
De hoofdfiguur is Charles d'Eon (1728-1810), een meester in de vermomming. Soms uit vrije wil, soms uit noodzaak. Soms in opdracht, soms uit frivoliteit. Hij is de kameleon die, al naargelang de noodzaak zich voordoet, zich kan (of moet) omtoveren. Het verhaal is gebaseerd op de werkelijk bestaande Charles de Beaumont, chevalier d'Eon.
Paul Claes heeft voor deze roman niet toevallig de ik-vorm gekozen. De achttiende eeuw is immers effectief de triomf van het ik. Het humanisme, de renaissance, was in het licht van vandaag een opstap naar de Verlichting. De paradox is dat de hoofdfiguur in 'De kameleon' zich afvraagt wie hij is. Op zeker moment in de roman breekt de spiegel, waarin Charles d'Eon zich bekijkt.
In de roman 'Zelfportret, of Het galgemaal' (1955) van Herman Teirlinck speelt de spiegel een even merkwaardige rol. Dit is niet toevallig: het spelelement wordt in de spiegel weerkaatst. Het dandyisme heeft de spiegel nodig omdat de blik hier essentieel is. In de kritiek wordt Paul Claes zelden in een traditie binnen de Nederlandse literatuur geplaatst. Hij zou buiten tijd en plaats staan. Dit is niet correct. De 'Vlaamse' literatuur bijvoorbeeld heeft ook een 'stedelijke' -niet-naturalistische- traditie: Herman Teirlinck, Hugo Claus, Paul Claes, Jan Lauwereyns. (We spreken hier noch van invloed noch van beïnvloeding maar van ingesteldheid.) Een literatuur die niet meer op psychologie/realisme gebaseerd is maar waar het spelelement centraal staat. Een verhaalvorm is -naar het woord van Borges- een 'orbe autónomo'. Dit betekent niet dat er geen band met de werkelijkheid is.
'De Kameleon' is opgebouwd uit 32 hoofdstukken waarbij het eerste en het laatste, het tweede en het voorlaatste, het derde enzovoort elkaars spiegel zijn. Het zestiende hoofdstuk heet 'De hermafrodiet'. Pal in het midden, als een blinkende parel, de tweegeslachtelijkheid, hét thema van Claes. Het ja en nee, de twijfel, de oplossing van de tegengestelden, het zoeken naar de ander (ook in zichzelf), de mystieke eenheid. Deze roman die handelt over schijn en zijn, over twijfel en paradox heeft het ook deze maal over seksualiteit, de rolverdeling tussen man en vrouw. Om het al te modieus te zeggen: de auteur behandelt de genderproblematiek. Het credo van de roman wordt door Voltaire uitgesproken: 'Er bestaat geen menselijke natuur, alles is zede en gewoonte. Het wordt tijd dat de mens zijn kluisters afgooit, niet om naar de natuur terug te keren, zoals Rousseau zegt, maar om eindelijk de cultuur te laten zegevieren. De rede is de vrijheid.' (p. 214) Toch is ook die cultuur een dwangbuis: er zijn taboes, grenzen, rollen. De vrouw is een gevangene. De spion een pion. De man een ledenpop (pantin).
De taal is een belangrijk gegeven. We lezen hoe Claes ook in zijn proza de klanken zich in opeenvolgende woorden laat herhalen. We lezen hoe vragen een retorische functie hebben. We lezen hoe woorden werkelijkheden onthullen -want we moeten interpreteren, de tekens lezen. Claes toont ons in de taal de pirouettes van het hofleven. Een voorbeeld. Beaumarchais, de toneelschrijver, heeft van de Franse koning de opdracht gekregen Charles d'Eon te verplichten om toe te geven dat hij een vrouw is -wat niet zo is. Het is de toneelschrijver die een operette opzet -de wereld is immers een schouwtoneel. Beaumarchais introduceert zichzelf als Ronac (de omkering van Caron (vet spek), de echte naam van Beaumarchais). Alnaargelang het gesprek vordert, noemt d'Eon de Beaumarchais monsieur Conar (smeerlap), Coran (lijfboek), Carrosse (koets), Charogne (kadaver), Racontar (praatjesmaker).
De roman werd bekroond met de Multatuliprijs en de ECI-prijs 'Schrijvers van nu'. Enerzijds looft de kritiek de intelligentie en het vernuft, anderzijds kan ze niet overweg met de kunstopvatting van Paul Claes die vermomt, verhult, verbergt (om beter te tonen, te etaleren, te presenteren). Arnold Heumakers beëindigde zijn recensie over deze roman (NRC Handelsblad, 25 mei 2001) met de hoop dat Paul Claes het heden zou aanpakken en daardoor de inzet zou verhogen en dat hij nu eindelijk de nieuwsgierigheid van zijn lezers naar de speler zou bevredigen. Bart Vervaeck verzuchtte in 'Tijd Cultuur' van 11 juli 2001 dat deze auteur te weinig bevlogenheid toont, dat het verhaal amusant maar niet meeslepend is en geen diepe indruk achterlaat. De kritiek is een kind van de tijd en vraagt schaamteloosheid.

De auteur beantwoordt (zou het?) de kritiek met 'Het hart van de Schorpioen' (2002), een 'autobiografie' die op een genadeloze wijze een manier van leven blootlegt. Het model voor dit boek was 'Roland Barthes sur Roland Barthes' (1975). Lezers en critici kregen nu een openhartige schrijver, en dus zullen velen geschrokken zijn van de hardheid, de kilheid, de chirurgische precisie. Waar andere auteurs in hun autobiografische werken proberen 'om zichzelf niet te zijn', is Paul Claes niet de hoofdfiguur. Wie of wat dan wel? De inhoudsopgave spreekt van een 'verhaal' (de omslag vermeldt 'roman' naar het woord van Borges niet ten onrechte: 'Alle literatuur is in laatste instantie autobiografisch.').
Het boek is in vijf hoofdstukken ingedeeld, het middelste heet 'De letters'. Daaromheen is de wereld geconstrueerd. 'Het gemis' is het eerste hoofdstuk en behandelt de ontstaansgeschiedenis van een oeuvre, de jeugd van een schrijver. 'De meester' is de initiatie in de wereld van kennis en schoonheid. Het vierde hoofdstuk (De ander) is de verhouding van de schrijver tot de wereld. Het laatste hoofdstuk behandelt de zinsvraag. Het waarom -maar ook het hoe want beide zijn met elkaar verbonden. Wat dit zelfportret oneigentijds maakt, is dat het een analyse is en geen belijdenis. Dit boek is geen etaleren ('Kijk mij') maar een introspectieve studie naar en van zichzelf. De schrijver onderzoekt zijn verleden, de anderen, hij beschrijft zichzelf als een vorm, een methode, een wijze van zijn. Het boek is een humanistische oefening in het trachten, in het beter worden. In het begin van het boek zijn de letters van de ander, in het laatste hoofdstuk spreekt de schrijver van het ik en zijn geschreven oeuvre: 'ego fecit'. Paradox: het ik is verschoven naar het oeuvre. Elk onderdeel toont de context waarin gedacht en geleefd wordt.
Nog meer paradox: hoe open en zelfonthullend de schrijver te werk gaat, hij verhult. Een door critici veel geciteerd lemma is 'Gedichten: Alles kan je: alles, behalve gevoelens verwoorden.' Dat Claes een alleskunner en -kenner is ('Hij woont wel in Leuven [sic], maar hij weet alles.' Jeroen Overstijns in 'Tijd Cultuur', 4 december 2002), is evident onjuist. Evident onjuist is dat hij geen gevoelens kan beschrijven. Critici hebben dit lemma ook gelezen als 'Claes bekent dat hij geen gevoelens heeft'. Wat in 'Het hart van de Schorpioen' (overigens) overduidelijk weerlegd wordt. Zo schrijft Elsbeth Etty in 'NRC Handelsblad' van 30 augustus 2008: 'Claes' romans, hoe knap ook, zijn nooit 'op zichzelf staand' […]. Hij 'maakt kunst', zijn romans en gedichten zijn 'maakwerk' en dat is volgens 'Het hart van de Schorpioen' zijn tragiek.' Deze tweespalt (enerzijds lof voor de kennis, anderzijds het verwijt geen romanticus te zijn) begeleidt vanaf nu meer en meer de ontvangst van het werk van Paul Claes. In de receptie van zijn werk wordt dit de ware tragiek: intelligentie, kennis, stijl, vormkennis worden als een curiosum gezien. Ook de schrijver wordt dan een aapje dat zijn kunstjes toont. (Arjan Peters in De Volkskrant van 20 september 2002: 'Niemand zal ontkennen dat je alles moet loslaten -maar nu gaat het om jou, Paul Claes! […] We zien geen bloed.') Daarmee gaat men voorbij aan de kern: de vorm is de inhoud. Ook in deze 'roman' maakt de schrijver dit overduidelijk. Het spelen met woorden bevat een waarheid -die door de lezer ontdekt moet worden. De pregnante betekenis zoekt een gepaste vorm.
Paul Claes doet hier niet anders dan in zijn overige werk. Hij objectiveert, hij metamorfiseert zichzelf tot een insect dat gedissecteerd kan worden. Hij doet dit met chirurgische nauwgezetheid, zonder sentimentaliteit. ('The gods may throw a dice / their minds as cold as ice', Benny Andersson & Bjørn Ulvaeus.) Hij beschrijft zichzelf niet als een essentie maar door zijn attributen, door zijn context. De anekdotes zijn geen faits divers maar elementen, tekens. De geografische plaatsen zijn culturele ijkpunten. Dit is een structuralistische autobiografie. De auteur schroomt er niet voor zijn eigen boeken te verklaren, te schrijven hoe ze gelezen moeten worden. De vorm die hij gebruikt zijn korte lemma's -woordenboeken, encyclopedieën zijn favoriete voorwerpen.

'De lezer' (2002) brengt vijf boeken ('De sater', 'De zoon van de panter', 'De phoenix', 'De kameleon', 'Het laatste boek') samen. Respectievelijk zijn dit de derde, vijfde, derde, derde en tweede druk. Het voorwoord is hier belangrijk omdat Paul Claes een concatenatio beschrijft van zijn eigen oeuvre. Hij stapelt de stenen tot een muur. 'De lezer' (d.i. de schrijver) droomde zich de allereerste (verdwenen) roman: 'De sater'. Dit was de verbeelding. In 'De zoon van de panter' wordt de waarheid gezocht, een apocriefe reconstructie van het Evangelie van de Twaalf, dat aangevuld werd met de getuigenissen van een kluizenaar en een modern historicus. In 'De phoenix' worden antieke, joodse en christelijke wijsheid met elkaar verbonden. Dit is het nieuwe boek: met Pico wordt een nieuwe tijd aangekondigd. De paradox van deze roman (moordenaar, speurder en slachtoffer zijn als de Drie-eenheid) is de inspiratie voor 'De kameleon', het andere boek. Paul Claes schrijft: 'De Sater wordt geboren uit aarde en door de Zoon van de Panter gedoopt met water, hij herrijst als de Phoenix uit het vuur en voedt zich als de Kameleon met lucht. Het vijfde boek, de kwintessens van het werk, is ook het Laatste.'
De thematische en lexicale zelfverwijzingen zijn een constante in dit werk. Niet alleen geldt dit voor het eigen oeuvre maar ook voor dat wat bestudeerd (en dus) vertaald wordt. Het zijn pogingen om elk werk in de geschiedenis op te nemen. Cultuur is dus een bewust maakproces.

'Lily' (2003) is vrouwenliteratuur, een meisjesroman. Met dit boek heeft Paul Claes de consumptieliteratuur gepasticheerd en aangetoond hoe systeembevestigend brave literatuur wel is. Lily is een schuchter meisje in een schijnbaar normaal doorsneegezin. De rampspoed stapelt zich op. Haar zuster wordt ongewenst zwanger. De foetus sterft. Door de schuld van Lily verongelukt haar vader. Hij sterft, zijzelf is verminkt. Ze huwt met een man die zijn moeder niet kan loslaten. Haar beste vriendin, Alice, trouwt met een man die later verdwijnt. Er zijn perioden dat Lily voor Anna, de dochter van Alice en haar man, zorgt. Daar is ze moeder en gelukkig -zonder ooit 'gekwetst' geweest te moeten zijn. Maar ook dit sprookje duurt niet: Anna sterft aan acute meningitis. Er is geen lach, alleen maar traan. Met een welhaast diabolisch genoegen beschrijft Paul Claes dit leven in korte, snelle zinnen.
Met een sardonisch plezier schrijft hij meisjesachtige clichézinnen als: 'Spijt beet in haar lip.', 'Brr, vies.', '[…], het idee kietelde haar.', 'Maar ze bleef de gevangene van haar bed.'. Paul Claes toont hoe men een 'Gouden Uil' kan winnen.
De roman is ook een catalogus van cliché-ideeën. Dat mannen slechts aan één ding kunnen denken, dat het leven ontgoochelend is, dat God het beste met ons voor heeft, …
Het thema van de roman is het schuldgevoel (een terugkerend thema in het werk van Claes) van het kleinburgerlijke katholicisme. Dat wat de mens vernedert en lam maakt. Lily beschouwt zichzelf als de oorzaak van de dood van haar vader, ziet zichzelf als oorzaak voor het ongelukkig zijn van haar moeder, voelt zich schuldig bij de dood van Anna, … Met een feilloos psychologisch inzicht schetst Paul Claes een leven in de vernedering. De rampspoed van Lily is begonnen wanneer ze een Lilith wilde zijn, de legendarische eerste vrouw van Adam, de ongehoorzame, de opstandige. De vrouw die nee zei. De moraal van het verhaal is: de vrouw die de normen overtreedt, wordt gestraft. En dus moeten we dit omgekeerd lezen. Want Lily is de vrouw die de wereld niet kan lezen, die verblind is. Dit verhaal is systeembevestigend en conservatief, omdat het lijkt alsof de tekens niet gelezen moeten worden want alles ligt al vast, omdat er een simpele oorzaak-gevolg-verteltrant gebruikt wordt. In het begin van de roman gaan Lily en Alice bij een waarzegster (een verklede man, overigens) die Lily de kaarten legt. De eerste kaart is 'de kluizenaar': de meisjes zullen in Oostenrijk verliefd worden op de gids. De tweede kaart kondigt het ziekenhuis aan. De derde zegt: 'De Kracht van het meisje zal het monster temmen.': de man van Lily is bij haar impotent. De vierde kaart is een meisje met de zeis. Lily is de dood.

'De waaier van het hart' (2004), een gedichtenbundel, bevat vier afdelingen. De eerste is tegelijk een zelfreflectie en een cultuurspiegeling. Claes beschrijft hier zeven verschijningen van de dichter. Opvallend is het motto van Keats 'the camelion poet', een zoveelste zelfverwijzing. Het eerste gedicht 'De ziener' begint met negaties: dat wat de dichter nooit gezien heeft. Het tweede deel van het sonnet beschrijft wat de dichter wel gekregen heeft: de woorden. De ziener is de blinde Homeros. Dan volgen nog Aeschylus, Dante, Hölderlin, Mallarmé, Rimbaud. Enkel het laatste gedicht ('beeld') verwijst niet naar een concrete dichter maar de zeven strofen verwijzen naar even zovele dichtershoudingen. Het gedicht beschrijft via een beschrijving van de rode roos een mensenleven. Het vernoemt expliciet een aantal dichters (Horatius, Omar, Ronsard, Rilke, Celan) en verwijst impliciet naar o.a. Guido Gezelle en de Perzische dichter Hafiz. Telkens weer is dit het credo van de schrijver: poëzie kan ons leven begeleiden zonder een smartlap te moeten zijn.
De tweede reeks (waaier) gedichten 'Decaloog' was eerder bibliofiel verschenen bij de Ergo Pers uit Gent onder de titel 'X'. In tien gedichten van telkens tien regels wordt de geschiedenis beschreven aan de hand van de noodzakelijke overtreding van de tien geboden.
Paul Claes wordt als een klassiek dichter gezien. Hem wordt verweten dat hij te intellectualistisch zou zijn. Toch is dit oeuvre doordrongen van het menselijke, van de 'zonde'. Het klassieke wordt steeds als het ernstige voorgesteld. Er is een duidelijk frivole kant aan het werk van Claes. Hij ziet de geschiedenis niet als een levenloos gebeuren. Het verleden is geen kil marmer. Telkens weer gaat het over de overtreding van normen, over het marginale, datgene wat door anderen weggemoffeld wordt. Ook in het verleden werd geleefd en in het leven vervagen de grenzen die latere historici wel menen te zien. Daarmee is dit oeuvre ook aan de romantiek schatplichtig: om tot het klassieke te kunnen behoren, dient het klassieke te worden opzij geschoven. In de bibliofiele uitgave werd bij elk gedicht een citaat opgenomen van/uit respectievelijk Carmina burana, Catullus, Gérard de Nerval, Sophocles, Anna Bijns, Alan W. Watts, Georg Groddeck, Chrétien de Troyes, Wilhelm Reich, Apollinaire. Ook de gedichten zelf zijn licht gewijzigd (er is een tijdsinterval van zeven jaar tussen beide publicaties): komma's zijn verdwenen, regels zijn van plaats verwisseld, woorden veranderd, hoofdletters gewist. (In het verzameld dichtwerk 'De zonen van de zon' zal de dichter later hier en daar nog veranderingen aanbrengen. Bijvoorbeeld in het gedicht 'Queeste':

'De lans die lekte op de zilveren schaal,' (X)
'de speer die lekte in de lege schaal,' (De waaier van het hart)
'de lans die lekte in de lege schaal,' (De zonen van de zon)

-en dan hebben we nog geen kennis van het ontstaansproces zelf.)

Op de omslag van 'Sfinx' (2004) wordt vermeld dat dit werk het tweede deel uit de romancyclus 'Lilith' is. (Het eerste deel was 'Lily'.) Hier staat de vrouw, en niet de man, centraal. Toch is de roman meer een tijdsdocument, Wenen 1899, dan een psychologisch vrouwenportret geworden. De roman begint met het bekende motto van de Grieken: ken uzelf. Een vermaning die we in een andere tijd zouden verwachten dan in deze analyse van het verval van de Weense aristocratie en de opkomst van 'het volk'. (De maatschappelijke opstand kwam ook al aan bod in 'De kameleon'.) Het 'ken uzelf' verwijst natuurlijk naar het werk van Freud die het mensbeeld compleet veranderd heeft. En de ironie is dat de mens -binnen het freudiaanse 'denken'- niet te kennen is. De titel van dit werk verwijst naar de Griekse (niet naar de Egyptische) sfinx. Bij de Grieken drukte de sfinx de negatieve, duistere, verslindende kracht van de vrouw uit.
Het gezin Von Löwen, vader is generaal, maakt zich op om de jongste dochter Sophie te laten debuteren in de Weense aristocratie. Paul Claes beschrijft het gezin als een bron van frustraties, bedrog, mislukte ambities, haat en na-ijver. Niemand is gelukkig en iedereen beseft dat elk verlangen gesmoord zal worden in een maatschappelijk keurslijf (zie: 'Madame Bovary'). Omdat niets toegelaten is -het natuurlijke wordt onderdrukt- komt het slechte in de mens naar boven. Er zijn in dit verhaal geen goeden of slechten, alleen maar gefrustreerden. In deze roman is er nauwelijks verhulling: penisnijd, incestverlangens, moeder- en vaderliefde, de symbolische vadermoord zijn allemaal aanwezig. Elke daad roept een tegenreactie op van wraak en weerwraak, van zonde en grotere zonde. De overblijvende dochter, Elisabeth, wordt verliefd op de zoon, Horst, (de naam verwijst ook naar het 'Horst Wessel'-lied), hij die de nieuwe vader moest worden, maar hij wordt gek. Elisabeth is de kernfiguur: zij is jaloers op haar jongste zus, verliefd op de mannen in het huisgezin, haat haar moeder, zet de zoon op tegen de vader en later tegen de moeder en haar minnaar. Het is Horst die haar schuld zal uitboeten. De voortplanting moet stopgezet worden.

'Psyche' (2006) onderbreekt de Lilith-reeks omdat de hoofdfiguur geen vrouw meer is maar behoort er ook toe omdat ook hier een fatale liefde behandeld wordt. De roman beschrijft de bootreis (Joseph Conrad: 'Heart of darkness'; de levensreis: hoe te sterven; Sebastian Brant: 'Das Narrenschiff') die Hadrianus met zijn vrouw en Antinoös (de 'psyche' van en voor Hadrianus) door Egypte onderneemt. Egypte: de bakermat van mythes, verhalen, gevoeligheden, houdingen. Maar ook van filosofieën: meer dan eens wordt benadrukt dat Plato bij Egyptische wijzen in de leer gegaan is. De inhoudsopgave spreekt hier van 'Metamorfosen' en verwijst daarmee naar Ovidius.
De metamorfosen zijn die van mens tot god, van senator tot keizer, van rups tot vlinder ('psyche' is het Griekse woord voor vlinder) van jongen tot adoptiezoon, van herder tot keizerszoon, van heidense cultuur tot christendom, van jongen tot vrouw tot man, de namen van de goden die wisselen, de materie die van stoffelijkheid verandert ('Klei was in brons veranderd, vlees was geest geworden, kunst had een mens tot god gemaakt.' (p. 291).
De bootreis verhaalt ook de opeenvolgende stappen in het denken en voelen van de keizer: het is een worsteling met de dood, een aanvaarding van de onvolmaaktheid en de eindigheid. Het is uiteindelijk de metamorfose van de hautaine, handelende keizer naar de aanvaardende, in zich zelf gekeerde mens. De vlinder is het terugkerend motief, het symbool van de ziel. Symbool van etherische schoonheid, verandering, speelsheid, vergankelijkheid en opstanding.
'Psyche' wordt verklaard door het beginmotto van Epiktetos: 'Je bent een zieltje dat een lijk draagt.' Het immateriële, het geestelijke staat hier tegenover het stoffelijke maar de 'traditionele' relatie wordt omgekeerd want het is niet het lichaam dat de geest draagt. Antinoös is voor Hadrianus de betere helft: het jeugdige, de schoonheid, de warmte. Claes verwijst regelmatig naar de zon, het symbool van de opstanding in het oude Egypte.
Paul Claes gebruikt in deze roman een archaïserende stijl. Een adjectief als 'de langwimperige' doet denken aan Homeros. De stijl van Claes is a-filmisch. Bij hem geen panoramazichten maar details die het geheel moeten oproepen. Dit geldt ook voor de gedichten van Claes: hij isoleert één moment en dat moment moet een situatie oproepen. De stijl is opstapelend: hij somt op om zo een beeld te vormen. Een opvallend voorbeeld is te vinden op p. 173 omdat hier het opsommend element verbonden wordt aan een encyclopedische kennis die noodzakelijk is om de finesses van de opsomming te begrijpen. En dit zowel wat de betekenis van de verhalen betreft als de paren die de namen met elkaar verbinden (Nausikaä-Odysseus; Atalante-Hippomenes; Akontius-Kydippe). Ook de inversie van het geslacht verwijst naar het spel. 'De rode bal die hij [Antinoös] wierp leek beurtelings het speeltuig van Nausikaä, de gouden appel van Atalante en de liefdeskwee van Akontios. Publius [= Hadrianus] voelde zich als Odysseus die de bal naar zich toe zag suizen, als Hippomenes die de gouden vrucht opraapte en als Kydippe die zich bond door de belofte te lezen die erin gegrift stond […]'
Net zoals de gedichten zijn de verhalen van Claes niet gericht op de beweging. Eerder het tegendeel: de stijl doet het verhaal stollen en zelfs achteruitgaan. De gebeurtenissen worden niet verhaald (er is geen spelprocedé met de tijd) maar worden 'herinnerd', 'beseft'. Niet toevallig gebeurt dit. Net zoals bij George Steiner staat ook in deze cultuuropvatting de herinnering centraal want 'De geschiedenis was de echo van een mythe.' En ten slotte is dit een verdediging van de literatuur. Het zijn immers de verhalen die zin geven aan het leven. Het is niet zozeer de waarheid van het verhaal die belangrijk is, maar wel het feit dat er verhalen te vertellen zijn. Elk verhaal is en begeleidt een levensmoment. Elk verhaal maakt het leven beter en mooier. Door het verhaal opnieuw te vertellen, wordt het verleden niet alleen levendig gemaakt maar wordt er ook zin gegeven aan het heden omdat het in een keten van verhalen wordt opgenomen.
Een ander procedé dat tegen de beweging ingaat, is het stellen van vragen om een situatie te verklaren. Zo bijvoorbeeld driemaal op p. 274: 'Hoe is dat mogelijk?', 'Hoe is dat gebeurd?', 'Waartoe was dat offer nodig?'. Vragen en antwoorden moeten leiden naar kennis, naar inzicht.
Tenslotte moet ook gewezen worden op het verbindingsprocedé dat Claes toepast in zijn eigen werk. Niet alleen worden de titels van vorige romans in een nieuwe roman verwerkt, ook geeft hij commentaar op vroeger uiteengezette stellingen of op motto's. De roman Sfinx opende met het 'Gnothi seauton'-motto. In 'Psyche' wordt dit motto geduid en uitgebreid. De priester Pankrates zegt 'Wie alleen weet maar zichzelf niet kent, weet niets.' (p. 146). De zelfkennis staat los van de kennis want wijsheid is inzicht en die is niet in de boeken maar in zichzelf te vinden. Deze woorden staan in een passage die sterk aan Plato (Phaedrus) doet denken. 'Hij zei dat het schrift alle wijze mensen van hun geheugen zou beroven. Dwaze mensen zouden denken dat de wijsheid in boeken te vinden is. En nog dwazere mensen zouden over die boeken andere boeken schrijven zonder eind.' (p. 146)
Op het einde van dit overzicht dient men in herhaling te vallen en de herhaling maakt moe. De kritiek looft de schrijver maar er is een al of niet onderhuidse wrevel over de kennis die noodzakelijk is om het werk van Paul Claes ten volle te kunnen appreciëren. Wineke de Boer looft de schrijver (De Volkskrant, 06.10.2006) maar door de nadruk te leggen op de eruditie maakt ze die toch (min of meer) verdacht ('Claes' kennis wekt bewondering. […] De belezen Claes […]) omdat kennis in het begin van de 21ste eeuw niet alleen als overbodig maar ook als verdacht beschouwd wordt. Sofie Gielis (De Standaard, 22.09.2006) is explicieter: '[Psyche], waarin we veel leren over de Oudheid. Iets te veel. […] Helaas kan zijn kennis zich ook tegen hem keren.' Treffend is hoe de recensie van Gielis een echo is van eerdere verzuchtingen door anderen geuit: 'Is Psyche intelligent? Zeker. Onderbouwd? Ongetwijfeld. Bloedeloos? Inderdaad. Een geromantiseerde biografie zou zijn onderwerp tot leven moeten wekken, maar net als in eerder werk imponeert Claes met kennis, maar slaagt hij er niet in doorbloede [sic] personages neer te zetten.'
Ook deze roman speelt zich af op een kantelmoment: het einde van het heidendom, het begin van het christendom. Het is de opvatting dat de tegengestelden elkaar bevatten: leven is dood en dood kan onsterfelijkheid betekenen.

'De zonen van de zon' (2008), de verzamelbundel van de tot dan toe gepubliceerde gedichten (maar zonder de bunde 'Mimicry'), verscheen naar aanleiding van de 65ste verjaardag van de auteur. De bundel bevat niet de afbeeldingen uit 'Embleem of De dodendans'. De verklaringen bij de gedichten zijn slechts minimaal en de gedichten zelf zijn lichtelijk veranderd en anders geplaatst. De afzonderlijke bundels blijven dus recht van bestaan hebben. Een nieuwe ordening is ook een nieuwe betekenis. De uitleg die de auteur bij deze bundel geeft, verklaart nu eerder de plaats van de bundels binnen het oeuvre dan de gedichten zelf. Ook al wordt Paul Claes als een klassiek dichter gezien, zelf blijft hij -zoals al eerder gezegd- werken aan zijn oeuvre: het werk is nooit af. Niet alleen is dit te merken aan de plaats van de reeksen gedichten maar ook aan de wijzigingen van de dichtregels zelf. Zoals Claus het zei: 'zoals dichters doen'. De inhoudsopgave heet hier 'Vorm'. De gedichten eindigen met een citaat van Ezra Pound waarin hun beider credo opklinkt: de ouden doen herleven. Daarna volgt 'Programma' waar Paul Claes de individuele bundels duidt en elk hun plaats in zijn oeuvre geeft. Deze verzamelbundel begint met Genesis en eindigt met een naenia om de moeder.

Het is onjuist het oeuvre van Paul Claes op te delen in essays, fictie en vertalingen. We moeten spreken van een drie-eenheid, van een gemeenschappelijke bron en wederzijdse wisselwerking. Paul Claes heeft het quasi volledige oeuvre van Rimbaud vertaald. Vertalen is interpreteren en verklaren. De paradox was hier: konden deze vertalingen maar vertaald worden. Claes heeft het begrijpen van het oeuvre van Rimbaud een andere richting uitgestuurd. Het hermetisme van de Franse dichter in 'Illuminations' is niet het resultaat van een ongecontroleerd, mateloos en oncontroleerbaar associatiespel maar een welbewust aaneenschakelen van de verschillende onderdelen tot één, samenhangend geheel. Via een formele decodering is het werk van Rimbaud te begrijpen vanuit het werk zelf. In 'La clef des 'Illuminations'', het resultaat van een levenslange studie op het werk van Rimbaud, werkt Paul Claes zijn interpretatie uit. Het ontcijferen gebeurt op drie niveaus: pragmatisch, semantisch en referentieel. De lezer moet allereerst nagaan wat de woorden, de omschrijvingen en de personages betekenen. Op semantisch vlak moeten de tropen ontraadseld worden. De referentiële codering behandelt stijlfiguren van allusie of indirecte verwijzing. Kennis betekent niet dat een tekst ontluisterd wordt, wel dat hij daardoor in haar volledigheid gelezen kan worden. 'L'hermétisme rimbaldien […] cherche à présenter la réalité d'une façon plus insolite, plus merveilleuse, plus surprenante et, par conséquent, plus poétique.' (La clef des 'Illuminations', p. 23).
In 2002 had Paul Claes een gelijkaardig project voorgesteld aan de internationale wetenschappelijke wereld. In zijn werk 'Concatenatio catulliana' stelde hij een nieuwe ordening voor van de 'Carmina' van Catullus. Het werk moet volgens Claes als een concatenatie gelezen worden. Ook hier stelt Claes zich tot doel om de zogenaamde chaos te ordenen tot een zinvol geheel. Hij toont aan dat wat op het eerste gezicht een chaos lijkt, door formele en inhoudelijke elementen een wel doordachte ordening is. Het is het genie van de dichter die door variatie, tegenstellingen, herhalingen, aanleidingen een kunstwerk kan scheppen.
In 2007 publiceerde Paul Claes zijn vertaling van 'The waste land'. Ook hier stelde Paul Claes een nieuwe sleutel voor. Merkwaardig genoeg was dit een biografische. De driehoeksverhouding tussen de schrijver, zijn vrouw en Bertrand Russell. De kritiek trachtte hiervan een smeuïg verhaal te maken en ging voorbij aan het punt dat alle kunst in het leven geworteld is, dat slechts begrijpen de kunstbeleving mogelijk maakt.

De vertaalpraktijk van Paul Claes onthult ons hoe we ook zijn werk moeten lezen. Vertalen is een daad tegen de barbarij. Het vertalen de poging de ander te begrijpen. Het lezen is het begrijpen van de ander. Het is de belofte van de utopie.

Primaire bibliografie

(werden niet opgenomen: de heruitgaven die door krantenuitgevers werden uitgegeven. Bijvoorbeeld 'De Pisaanse canto's' (De Morgen) of 'De mooiste gedichten van Goethe' (Het Parool).


1997

- Quintus Horatius Flaccus, Carmen : een lyrisch gedicht. Een vertaling door Paul Claes. Gent 1997, Jozef Moetwillig
- De Griekse liefde : honderd vijftig epigrammen. Samengesteld en vertaald door Paul Claes. Antwerpen 1997, Kritak
- Paul Claes, X: tien dizijnen. Gent 1997, Ergo Pers
- Oude keizers, nieuwe kleren : Griekse en Latijnse vertalersvondsten. Essay van Paul Claes [et al.]. Amsterdam 1997, Athenaeum-Polak & Van Gennep

1998

- Paul Claes, De Phoenix. Amsterdam 1998, De Bezige Bij
- Arthur Rimbaud, Gedichten. Vertaald door Paul Claes. Amsterdam 1998, Athenaeum-Polak & Van Gennep

1999

- Paul Claes. Die Bloomiade. In het Duits vertaald door Dirk van Hulle en Christoforo Schweeger.
In: Schreibheft, nr.53 (November 1999), p. 3-32.
- Guido Gezelle, The evening and the rose: 30 poems. From the Flemish by Paul Claes & Christine D'haen. Antwerpen 1999, Guido Gezellegenootschap
- Paul Claes, Glans. Sonnega 1999, Regulierenuitgeverij
- Johan Andreas Dèr Mouw, I'm Brahman: 15 sonnets. Translated from the Dutch by Paul Claes. Sonnega 1999, Regulierenuitgeverij
- Arthur Rimbaud, Illuminations. Vertaald door Paul Claes. Amsterdam 1999, Athenaeum-Polak & Van Gennep
- Metamorphoses: carmina potarum recentiorum. Sonnega 1999, Regulierenuitgeverij
- De onsterfelijken: poëzie van Nobelprijswinnaars van de XXste eeuw. Samengesteld door Paul Claes. Leuven 1999, P

2000

- Laus amoris II: onsterfelijke liefdesverzen. Vertaald door Paul Claes. Gent 2000, De Prentenier
- Catullus, Liedjes voor Lesbia. Vertaald en toegelicht door Paul Claes. Amsterdam 2000, Athenaeum-Polak & Van Gennep
- Arthur Rimbaud, Een seizoen in de hel = Une saison en enfer. Vertaald door Paul Claes. Amsterdam 2000, Athenaeum-Polak & Van Gennep
- Paul Claes, Atlantis, Sonnega 2000, Regulierenpers
- Paul Claes, Glans-Feux. Amsterdam 2000, De Bezige Bij
- Paul Claes, De gulden tak: antieke mythe en moderne literatuur. Amsterdam 2000, De Bezige Bij

2001

- Paul Claes, De Kameleon, Amsterdam 2001, De Bezige Bij
- Paul, Claes, Der Phoenix. In het Duits vertaald door Marlene Müller-Haas. Frankfurt am Main 2001, S. Fischer
- Licht van mijn leven: een getijdenboek. Samenstelling en vertaling Paul Claes. Baarn 2000, Atalanta Pers
- Het weggeborgen hart. Samengesteld door Christine D'haen, vert. Paul Claes et. al. Leiden 2001, Kopwit

2002

- Arthur Rimbaud, Brieven 1870-1875. Vertaald door Paul Claes. Amsterdam 2002, Athenaeum-Polak & Van Gennep
- Paul Claes, Concatenatio catulliana: a new reading of the Carmina. Amsterdam 2002, J.C. Gieben, Amsterdam studies in classical philology; 9
- Paul Claes, Het hart van de Schorpioen. Amsterdam 2002, De Bezige Bij
- Paul Claes, De lezer. [Bevat: De sater, De zoon van de panter, De phoenix, De kameleon, Het laatste boek]. Amsterdam 2002, De Bezige Bij
- Michel de Montaigne, Zinspreuken. Vertaald en samengesteld door Paul Claes. Baarn 2002, Atalanta Pers

2003

- Paul Claes, Lily. Amstredam 2003, De Bezige Bij

2004

- Hugo Claus, Eros : 21 gedichten. Gekozen, in het Latijn vertaald en van een nawoord voorzien door Paul Claes. Brussel 2004, Het Beschrijf
- Paul Claes. Feniksas. Vertaald in het Litouws door Antanas Gailius. Vilnius 2004, Lietuvos Rasytoju Sajungos Leidykla
- Gustave Flaubert, Reis door de Oriënt. Inleiding door Paul Claes. Amsterdam 2004, Atlas, Klassieke reizen; 4
- Paul Claes, Sfinx. Amsterdam 2004, De Bezige Bij
- Paul Claes, De waaier van het hart. Amsterdam 2004, De Bezige Bij
- Paul Claes, Une clef pour lire Rimbaud. In : Septentrion, nr. 4, 2004

2005

- De gouden lier: archaïsche Griekse lyriek. Vertaald door Paul Claes. Amsterdam 2005, Athenaeum-Polak & Van Gennep

2006

- Paul Claes, Psyche. Amsterdam 2006, De Bezige Bij
- Rainer Maria Rilke, Het lied van liefde en dood van kornet Christoph Rilke. Vert. door Paul Claes. Amsterdam 2006, Meulenhoff
- Sappho, Liederen van Lesbos. Vert. door Paul Claes. Amsterdam 2006, Meulenhoff

2007

- T.S. Eliot, Het barre land = The waste land. Vertaling, commentaar en nawoord Paul Claes. Amsterdam 2007, De Bezige Bij
- Paul Claes, Syn Pantery. Vertaald in het Russisch door Dimitri Silvestrov. St. Petersburg 2007, Azbuka

2008

- Paul Claes, La clef des Illuminations. Amsterdam 2008, Rodopi, Faux titre ; 323
- Paul Claes, Dochters van Eva. Gent 2008, Druksel
- Paul Claes, Het is of alles nog gebeuren moet. Gent 2008, Druksel
- Lyriek van de Lage Landen: de canon in tachtig gedichten. [samengesteld door] Paul Claes. Amsterdam 2008, De Bezige Bij
- De meesters: wereldpoëzie van twintig eeuwen.[vertaald door] Paul Claes. Gent 2008, Poëziecentrum
- Michel de Montaigne, Wat weet ik?: sentences de la librairie = zinspreuken uit de librije. Vertaald [en nieuw gerangschikt] door Paul Claes. Gent 2008, Jozef Moetwillig
- Paul Claes, Tom's autobiography: the secret key to The waste land.
In: The Low Countries, nr. 16, 2008 (over The waste land)
- Paul Claes, De zonen van de zon: verzamelde gedichten. Amsterdam 2008, De Bezige Bij

(Afgesloten, 21 juni 2009)

Secundaire bibliografie

1996

Yves van Kempen, Evangelie. In: De Groene Amsterdammer, 24-7-1996. (Over De zoon van de Panter)
Johan Diepstraten, Paul Claes presenteert drie verlossers in 'De zoon van de panter': een heel ander Nieuw Testament. In: De stem, 9-8-1996. (Over De zoon van de Panter)
Jeroen Overstijns, Postmodern en toch creatief. In: De Standaard, 16-8-1996. (Over De zoon van de Panter)
Christine D'haen, Zoon van de literatuur. In: Vrij Nederland, 21-9-1996. (Over De zoon van de Panter)
Patrick De Rynck, Vertalen is protesteren tegen de barbarij: Paul Claes bekroond met prestigieuze Martinus Nijhoff prijs. In: De Standaard, 24-10-1996. (interview)

1997

Martijn de Bont, Paul Claes. In: Kritisch Literatuur lexicon, februari 1997
Christine D'haen, De zoon van de zon: het werk van Paul Claes. Leiden 2007, Internationaal forum voor Afrikaanse en Nederlandse taal en letteren

1998

Anoniem, Rimbaud onder alle omstandigheden. In: Het Parool, 8-8-1998. (over Arthur Rimbaud, Gedichten)
Christine D'haen, Een filosofische detectivestory: Paul Claes en de asse van Pico della Mirandola. In: De Standaard, 22-10-1998. (over De Phoenix)
Leen Huet, Branden in eigen vuur: Paul Claes: 'De Phoenix': vernuftige filosofische whodunit. In: De Morgen, 29-10-1998. (over De Phoenix)
Yves van Kempen, Vurig verlangen naar harmonie. In: De Groene Amsterdammer, 4-11-1998. (over De Phoenix)
Johan Diepstraten, Interessant gedachtengoed van een 15e-eeuwse graaf: 'De Phoenix' van Paul Claes: een filosofische detective. In: Brabants Nieuwsblad/De Stem, 17-11-1998. (over De Phoenix)
Frank Hellemans, Een vlugge dood in de lente. In: Knack, 18-11-1998. (over De Phoenix)

1999

Cyrille Offermans, Paul Claes en de wedergeboorte van Pico Della Mirandola. In: Ons Erfdeel, nr. 1, 1999. (over De Phoenix)
Arjan Peters, Een toernooi van de geest. In: De Volkskrant, 8-1-1999. (over De Phoenix)
Christine D'haen, Na de Vader en de Zoon nu de Geest. In: Vrij Nederland, 30-1-1999. (over De Phoenix)
T. van Deel, Zoals altijd gaan Eros en Thanatos hand in hand. In: Trouw, 13-2-1999. (over De Phoenix)
Pieter Steinz, Je moet je verdiepen in het wezenlijk andere: gesprek met Paul Claes over zijn historische romans. In: NRC Handelsblad, 7-5-1999. (interview)
Christine D'haen, Subliem. In: De Standaard, 5-8-1999. (over I'm Brahman, Metamorphoses, Glans)
Johan Velter, Schoonheid. In: Poëziekrant, nr. 5, 1999. (over I'm Brahman, Metamorphoses, Glans)
Christine D'haen, De ultieme ontraadseling van Rimbaud: Paul Claes over zijn vertaling van Illuminations. In: De Standaard, 28-10-1999. (over Arthur Rimbaud, Illuminations, interview)

2000

Paul Verhuyck, Als de mythe literatuur wordt: de klassieken: nieuwe speurtocht van Paul Claes. In: De Standaard, 16-3-2000. (over De gulden tak)
Arnold Heumakers, Mythen met speurzin gelezen. In: NRC Handelsblad, 17-3-2000. (over Glans/Feux en De gulden tak)
Willem Kuipers, Tegelijk duister en doorzichtig. In: De Volkskrant, 17-3-2000. (over De gulden tak)
Jef Ector, Gedichten. In: Leesidee, 1-4-2000. (over Sappho, Gedichten)
Guus Middag, Denksport voor hemelbestormer. In: NRC Handelsblad, 12-5-2000. (over Arthur Rimbaud, Illuminations)
Christine D'haen, Frans- en Nederlandstalige poëzie van Paul Claes: sublieme glans. In: De Standaard, 2-6-2000. (over Glans/Feux)
Piet Gerbrandy, Van ontzetting doorzeefd. In: De Volkskrant, 9-6-2000. (over Glans/Feux)
Paul Verhuyck, De helse bruidegom: Arthur Rimbauds kakafonie. In: De Standaard, 7-12-2000. (over Arthur Rimbaud, Een seizoen in de hel)

2001

Christine D'haen, Licht in de hel. In: Knack, 10-1-2001. (over Arthur Rimbaud, Een seizoen in de hel)
Hendrik Carette, De meester van de hexameter. In: Poëziekrant, nr. 1, 2001. (over Glans/Feux)
Paul Demets, Willekeur van welluidendheid: Paul Claes, Kees Ouwens en Gertrude Starink ontwerpen hun eigen mythologie. In: Knack, 16-05-2001. (over Glans/Feux)
Arjan Peters, De hele wereld als maskerade: meester-pasticheur Paul Claes neemt ditmaal de pruikentijd onder handen. In: De Volkskrant, 25-5-2001. (over De Kameleon)
Arnold Heumakers, 'Zijn' of 'schijn' van man of vrouw. In: NRC Handelsblad, 25-5-2001. (over De Kameleon)
T. van Deel, 'Hofhermafrodiet' van Louis XV. In: Trouw, 26-5-2001. (over De Kameleon)
Thomas van den Bergh, Hofintriges: Paul Claes laat pruikentijd herleven in een avonturenroman over een achttiende-eeuwer die liever vrouw wil zijn. In: Elsevier, 9-6-2001. (over De Kameleon)
Leen Huet, De intiemste ruimten van het rococo. In: De Morgen, 13-6-2001. (over De Kameleon)
Robert Anker, Travestie tot de zoveelste macht. In: Het Parool, 22-6-2001. (over De Kameleon)
Hans Warren, Een man is een vrouw is een man: roman een feest voor de lezer. In: Haarlems Dagblad, 22-6-2001. (over De Kameleon)
Bart Vervaeck, De eon van de Kameleon. In: De Tijd, 11-7-2001. (over De Kameleon)
Nico Keuning, Een verblijf in de hel. In: Hervormd Nederland, 28-7-2001. (over Arthur Rimbaud, Illuminations en Een seizoen in de hel)
Christine D'haen, De kleur van de Kameleon: Paul Claes heeft een nieuwe historische roman af. In: Knack, 8-8-2001. (over De Kameleon)
Jeroen Overstijns, De verkleedkunsten van de waarheid: elegante roman van Paul Claes. In: De Standaard, 9-8-2001. (over De Kameleon)
Onno Blom, Verwittigen en afdokken. In: Vrij Nederland, 25-8-2001. (over De Kameleon)
Jooris Van Hulle, De Kameleon. In: Leesidee, 1-9-2001. (over De Kameleon)
Carina Villinger, Was die Kabbala nicht weiß. In: FAZ, 7-11-2001. (over Der Phoenix)
Rudi van der Paardt, Een diplomaat als kameleon. In: Ons Erfdeel, nr. 5, 2001. (over De Kameleon)

2002

Rudi van der Paardt, Un nouveau magicien des lettres: Paul Claes. In: Septentrion, nr. 2, 2002. (over het œuvre)
Rudi van der Paardt, Paul Claes: a new literary wizard. In: The Low Countries, nr. 10, 2002. (over het oeuvre)
Johan Velter, Paul Claes: de vele kanten van een verlichtingsmens. In: Leesidee, nr. 8, 2002. (over het oeuvre)
Martijn Meijer, 'Ik bewonder de vindingskracht en het vernuft van James Joyce': het beslissende boek van Paul Claes. In: NRC Handelsblad, 15-2-2002. (interview)
Paul Depondt, De speler achter het spel: Paul Claes beoefent de kunst van de allusie. In: De Volkskrant, 24-5-2002. (over het oeuvre)
Freddy Decreus, Paul Claes werpt nieuw licht op Catullus' poëzie: een zalige stoeipartij. In: De Standaard, 24-9-2002. (over Concatenatio Catulliana)
Elsbeth Etty, Zie onder: Kameleon: encyclopedisch zelfportret van Paul Claes. In: NRC Handelsblad, 30-8-2002. (over Het hart van de Schorpioen)
Fleur Speet, Door te lezen heb ik de wereld leren kennen. In: HP/De Tijd, 6-9-2002. (over Het hart van de Schorpioen)
T. van Deel, Schuilnaam: Paul Claes. In: Trouw, 14-9-2002. (over Het hart van de Schorpioen)
Arjan Peters, De wrangheid van de lettervreter: Paul Claes' onleefbare leven buiten de literatuur. In: De Volkskrant, 20-9-2002. (over Het hart van de Schorpioen)
Onno Blom, Paul Claes' wereld van woorden: inkt in de staart. In: De Standaard, 10-10-2002. (over Het hart van de Schorpioen)
Johan Velter, Het hart van de Schorpioen. In: Leesidee, 1-11-2002. (over Het hart van de Schorpioen)
Johan Velter, Brieven 1870-1875. In: Leesidee, 1-11-2002. (over Arthur Rimbaud, Brieven 1870-1875)
Jos Borré, Een schroomvallige exhibitionist. In: De Morgen, 6-11-2002. (over Het hart van de Schorpioen)
Jeroen Overstijns, Het masker en de spiegel. In: De Tijd, 4-12-2002. (over De lezer en Het hart van de Schorpioen)

2003

Marijke Arijs, Balorige jaren : Paul Claes vertaalde de correspondentie van Arthur Rimbaud. In: De Standaard, 9-1-2003. (over Arthur Rimbaud, Brieven 1870-1875)
Max Pam, Calamity Lily. In: HP/De Tijd, 1-8-2003. (over Lily) Pieter Steinz, Eros en Thanatos spelen tikkertje. In: NRC Handelsblad, 1-8-2003. (over Lily)
Arie Storm, De waarzegster heeft altijd gelijk. In: Het Parool, 8-8-2003. (over Lily)
Arjan Peters, Hanglipje zoekt het geluk. In: De Volkskrant, 9-8-2003. (over Lily)
Jos Borré, De sater en het jonge meisje: 'Lily' van Paul Claes. In: De Morgen, 20-8-2003. (over Lily)
Frank Hellemans, Lelie onder de doornen. In: Knack, 20-8-2003. (over Lily)
Onno Blom, Paul Claes en de geschiedenis van de vrouw: 'De vrouw is onuitputtelijk'. In: De Standaard, 23-8-2003. (over Lily)
Thomas van den Bergh, Bakvissenleed; In: Elsevier, 23-8-2003. (over Lily)
Jeroen Vullings, Lilith huwt Jan Adams. In: Vrij Nederland, 23-8-2003. (over Lily)
Bas Groes, In de ban van de zin. In: DW&B, nr. 4, 2003. (over Het hart van de Schorpioen)
Jooris Van Hulle, Lily. In: Leesidee, 1-9-2003. (over Lily) Jeroen Overstijns, Diepzinnige banaliteit. In: De Tijd, 24-9-2003. (over Lily)
Luc Devoldere, Alexandrijn in Kessel-Lo: Paul Claes van A tot Z. In: Ons Erfdeel, nr. 5, 2003. (over het oeuvre)

2004

Peter Henk Steenhuis, Mijn personages belichamen de tijd: gesprek met Paul Claes. In: Peter Henk Steenhuis, Een dwingend stappenplan. Nijmegen 2004, Flanor. (interview over de romans)
Arnold Heumakers, Broeinest van schuld en wraak en incest: Paul Claes stort zich in het Weense fin de siècle. In: NRC Handelsblad, 3-9-2004. (over Sfinx)
Sofie Gielis, Het dubbele dier. In: De Standaard, 30-9-2004. (over Sfinx)
Jooris Van Hulle, Sfinx. In: De Leeswolf, 1-10-2004. (over Sfinx)
Ingrid Hoogervorst, Vermakelijk en tragisch familiedrama. In: De Telegraaf, 1-10-2004. (over Sfinx)
Bert Bultinck, Ken uzelf in 1899. In: De Morgen, 10-11-2004. (over Sfinx)
Kees 't Hart, Stijloefening. In: Leeuwarder Courant, 19-11-2004. (over Sfinx)

2005

Ilja Leonard Pfeijffer, De snippers worden gekoesterd: Claes vertaalt de archaïsche Grieken in knisperend Nederlands. In: NRC Handelsblad, 1-4-2005. (over De gouden lier)
Luc Devoldere, Wijn, liefde en lied: Griekse poëzie vertaald door Paul Claes. In: De Standaard, 28-4-2005. (over De gouden lier)
Piet Gerbrandy, Was ik maar een ijsvogel. In: De Groene Amsterdammer, 13-5-2005. (over De gouden lier)
Alexandra De Vos, Arthur Rimbaud 1854-1891: triomf en tragedie. In: De Standaard, 28-7-2005. (over Arthur Rimbaud, Brieven 1870-1875)

2006

Ward Daenen, 'Sappho maakte reclame voor haar meisjes': Paul Claes herwerkt vertaling van 'Liederen van Lesbos'. In: De Morgen, 15-2-2006. (over Sappho, Liederen van Lesbos)
Kees Fens, Waar uit ritselende bladen de rust stroomt. In: De Volkskrant, 24-2-2006. (over Sappho, Liederen van Lesbos)
Jef Aerts, Liefde is een moderne uitvinding. In: De Tijd, 25-2-2006. (over Sappho, Liederen van Lesbos)
Sofie Gielis, Echo van de mythe. In: De Standaard, 22-9-2006. (over Psyche)
Arnold Heumakers, En dit keer is het echt menens. In: NRC Handelsblad, 22-9-2006. (over Psyche)
T. van Deel, Hadrianus en Antinoös op herhaling. In: Trouw, 23-9-2006. (over Psyche)
Frank Hellemans, De engel van Hadrianus. In: Knack, 27-9-2006. (over Psyche)
Wineke de Boer, Dood op de Nijl: meer idee dan liefde in roman [van] Paul Claes. In: De Volkskrant, 6-10-2006. (over Psyche)
Erik de Smedt, Het lied van liefde en dood van kornet Christoph Rilke. In: De Leeswolf, 1-12-2006. (over Rainer Maria Rilke, Het lied van liefde en dood van kornet Christoph Rilke)
Piet Gerbrandy, Het pas gestorven zijn. In: De Volkskrant, 29-12-2006. (over Rainer Maria Rilke, Het lied van liefde en dood van kornet Christoph Rilke)

2007

Hans Ester, Rilke op de rand van de sentimentaliteit. In: Nederlands Dagblad, 12-1-2007. (over Rainer Maria Rilke, Het lied van liefde en dood van kornet Christoph Rilke)
Maarten De Pourcq, Waar zijn haar negen boeken, waar. In: Poëziekrant, nr. 3, 2007. (Over De gouden lier)
Herlinda Vekemans, Onteigening. In: Digther, nr. 1, 2007. (over T.S. Eliot, Het barre land)
Philip Hoorne, Het geheime barre land: 'The waste land'. In: Knack, 28-2-2007. (over T.S. Eliot, Het barre land)
Huub Beurskens, De Eliotcode. In: De Standaard, 4-5-2007. (over T.S. Eliot, Het barre land)
Bart Van der Straeten, Fragmenten van een huwelijk. In: De Morgen, 9-5-2007. (over T.S. Eliot, Het barre land)
Kees Fens, Een stroming onderzee / Kloof fluisterend zijn botten af. In: De Volkskrant, 11-5-2007. (over T.S. Eliot, Het barre land)
Ilja Leonard Pfeijffer, Wat dacht de dichter?: Paul Claes gaat heel ver in zijn interpretatie van 'The waste land'. In: NRC Handelsblad, 11-5-2007. (over T.S. Eliot, Het barre land)
Peter de Boer, Gaat 'The waste land' over een slecht huwelijk? In: Trouw, 26-5-2007. (over T.S. Eliot, Het barre land)
Rob Schouten, Meer pochet in een bar land. In: Vrij Nederland, 26-5-2007. (over T.S. Eliot, Het barre land)
Henk Dijkgraaf, De lokroep van het purgatorium. In: Nederlands Dagblad, 15-6-2007. (over T.S. Eliot, Het barre land)
Graa Boomsma, Vrees in een handvol stof. In: De Groene Amsterdammer, 29-6-2007. (over T.S. Eliot, Het barre land)
Jan Posman, De open plekken van Rilke. In: Poëziekrant, nr. 4, 2007. (over Rilke-vertalingen)

2008

Désirée Schyns, 'Gekke schraapgeluiden' en 'hese grapstemmen': Paul Claes en Hans van Pinxteren: twee visies op de poëzie van Rimbaud. In: Poëziekrant, nr. 1, 2008. (over Rimbaud-vertalingen)
Peter van Huizen, Ontsluiten en herdichten, of Het vertalen van T.S. Eliot. In: Liter, nr. 49, 2008. (over T.S. Eliot, Het barre land)
Geert Lernout, De interpretatie als roman: Paul Claes' kijk op 'Het barre land' van T.S. Eliot. In: Poëziekrant, nr. 2, 2008. (over T.S. Eliot, Het barre land)
Luc Devoldere, De man in de toren. In: De Standaard, 24-10-2008. (over De zonen van de zon en Lyriek van de Lage Landen)
Herman Jacobs, 'Mijn werk gaat vooral over seks'. In: Knack, 5-11-2008. (over het oeuvre, interview)
Leonie Breebaart, Alle poëzie die we willen onthouden. In: Trouw, 4-12-2008. (over Lyriek van de Lage Landen)

2009

Ron Rijghard, Nieuwe culturele evolutieleer. In: Awater, nr. 1, 2009. (over Lyriek van de Lage Landen)
Luc Devoldere, Un homme dans une tour: Paul Claes (ré)écrit la tradition. In : Septentrion, nr. 1, 2009. (over De zonen van de zon en Lyriek van de Lage Landen)
Jooris Van Hulle, De echte lezer moet de wereld leren lezen. In: Poëziekrant, nr. 2, maart-april 2009. (over het oeuvre, interview)
Erik de Smedt, Lyriek van de Lage Landen. In: De Leeswolf, nr. 1, 2009. (over Lyriek van de Lage Landen)
Dirk De Geest, De meesters. In: De Leeswolf, nr. 1, 2009. (over De meesters)
André Kruijf, Claes kent zijn klassieken, maar misbruikt het heilige. In: Reformatorisch Dagblad, 15-4-2009. (over De zonen van de zon)

(Afgesloten op 21 juni 2009)


Johan Velter

 

html by Tankred
version 2.2 - © Druksel